Even over mijn liefdesleven

Photo by Designecologist on Pexels.com

Al mijn hele leven lang raak ik steeds opnieuw verliefd op tamelijk onbereikbare lieden. Hetzij mannelijk. Hetzij vrouwelijk. Wegens hun karaktereigenschappen. Wegens hun uitstraling. Wegens een legio redenen die ik niet eens zelf kan bevroeden.

Maar altijd weer stel ik een mogelijke relatievorming uit. Om de doodeenvoudige reden dat ik mezelf niet in iemands’ schoot wil werpen met de vraag mij gelukkig te maken. Ik wil die verwachting namelijk niet bij die ander neerleggen, maar puur bij mezelf.

Of ga ik relaties aan met heren die reeds bezet zijn, zodat er voor mij geen kwestie is van te dichtbij komen. Of cancel ik last minute afspraken, als ik te bang ben dat het – yep, indeed – weer té persoonlijk zal gaan worden.

Nu ben ik minstens 35 jaar verder en in mijn 56ste levensjaar. Ik had reeds oma kunnen zijn. Ik had moeder kunnen zijn. Ik had betekenisvolle relaties kunnen hebben. Van dat alles niets, noppes, nada. En tot nu toe ervaar ik daar nog niet zoveel last van. Behalve tijdens de feestdagen dan. Of als je alléén – als dappere single – dient te verschijnen op feestjes. En half wordt nagestaard.

Ik bepleit dit voor mezelf altijd weer. En altijd opnieuw. Iedere keer als ik hoor dat familie en vrienden gaan scheiden. En weer andere relaties aangaan, en vorige relaties letterlijk slopen. Ik denk dan bij mezelf en vergoelijk altijd opnieuw dat ik in mijn up veel gezelliger én notabene gelukkiger ben dan al die andere mensen, die die hachelijke stappen wél hebben gezet.

Ergens denk ik dat de mens als zoogdier niet bepaald in staat is om het een leven lang met louter één partner te doen. Dat is wellicht ooit bepaald vanuit religieuze standpunten, maar niet een haalbare keuze. Mijns inziens.

Soms vraag ik me stiekem af, wie het nu werkelijk bij het rechte eind heeft. Want zelfs ik weet, dat ‘no man is an island’. Al denk ik dan nog 1.001 keer dat ik het zo goed zie. Ik vraag me ook altijd af, hoeveel goeds de liefde me had kunnen doen. Nu. Tegenwoordig. Met de rijpheid die ik nu bezit.

Waarschijnlijk zal ik het nooit weten. Tenzij ik voor mezelf bepaal dat ik nu de stappen zal gaan zetten zonder mijn geluk via een ander af te dwingen. Stiekem vermoed ik ook zomaar, dat ik mezelf dat stukje geluk zomaar heb ontzegd. Bewust en onbewust. Kedang.

E-mail: en de vraag waarom men niet of nauwelijks beantwoordt

Na al die jaren heb ik het eindelijk door. Men snapt het concept van e-mailen niet. Of juist wél. En snap ik het niet. Laten we het daar even op houden. Of toch niet? Want het loopt momenteel de spuigaten uit, lieve mensen.

Hoe dan ook. Ik ben pislink. Van de 99 e-mails die ik verstuur, ontvang ik louter 1 (ja één) antwoord. Een gericht antwoord op mijn vraag, verzoek dan wel mededeling. En dan nog voorzien van zo’n staaltje mansplaining, dat ik er spontaan beroerd van word.

Want tja, tussen al die nieuwsbrieven, spam en phishing mails ziet men natuurlijk nauwelijks nog het bos, want al die digitale bomen tussendoor, die kun je lukraak weggooien, nietwaar? Of gewoon – doodgewoon – in je spambox deponeren?

Het maakt helemaal niet uit, dat ik me Godbetert al die moeite heb getroost om achter jouw e-mailadres te komen. Het doet niets af aan het feit dat ik een heel verhaal heb gepoogd neer te pennen. En tot slot meedeel dat ik volgaarne een antwoord terug verwacht. Dat vergt toch geen wedermoeite? Waarom dan?

Dat een antwoord zou kunnen zijn dat je de e-mail in goede orde ontvangen hebt en dat je er wegens grote druk, drukst, drukte later op terugkomt, komt waarschijnlijk in niemands kop op. Een e-mail is wel het laatste waar je die drukke dag zin in hebt om te beantwoorden. Dus hopla, in de spambox ermee. Easy come, easy go!

Een stom e-mailtje kun je helaas niet verscheuren, after all. Gelukkig heb ik het brein van een olifant, zodat ik je kan spammen net zolang totdat je je leven weer op de rit hebt. Laat dat je waarschuwing zijn.

Ik vraag dit (niet) voor een vriend

Afbeelding van Dean Lewis via Pixabay

Vind ik toch bij uitstek wel de meest grappige uitspraak op Social Media. En het maffe is, ik vind het zo verdomde grappig dat ik het zelf eigenlijk nooit hanteer. Want het moet natuurlijk wel een geinige uitspraak blijven.

Zo had ik een hele poos de neiging om selfies te nemen in de lift, of elders, en daarbij te vermelden dat het om ‘nieuwe schoenen’ ging. Nu stonden mijn schoenen natuurlijk nooit op die foto’s. Het gaat mij puur om dat droge humorgevoel. En een grappige herinnering aan iets.

Het is me namelijk wel eens overkomen in het enge bos nabij. Ik liep daar nietsvermoedend in mijn up te wandelen. Alwaar ik in de buurt kwam van wat voetballende jeugd. Eén van die jongens kwam op me af, trok mijn shirt naar zich toe, keek in mijn boezem en riep: “Nieuwe schoenen?”

Van verbazing en zelfs enigszins verdwaasd door de ultieme pret bij die jongens, kreeg ik zelf ook een proestbui. Die heeft de hele weg terug naar huis geduurd, volgens mij.

Terwijl ik – volgens het verhaal van familie en vrienden die ik dit kort vertelde – juist die lefgozer een mep had moeten verkopen. Of hem anderszins ‘de waarheid’ had moeten vertellen.

Maar je zult maar te perplex zijn voor woorden, of anderszins enigszins geamuseerd door dit stukje vernuft.

Sowieso ben ik niet zo van het corrigeren. Oftewel, ben ik absoluut niet consequent in mijn optreden. Het is maar goed dat ik zelf nooit kids heb gekregen. Want zelfs naar mijn feline vriendjes ben ik wel eens onhandig in de omgang.

Nu mijn vraag aan jou. En ik vraag dit niet voor een vriend, maar heb jij ook iets soortgelijks meegemaakt wat je nog nooit eerder hebt opgebiecht? En wil je dat hieronder delen, in de reacties? Ik lees het weer graag.